Een virus bestaat uit een buitenste schil (kapsel) met binnenin genetisch materiaal.
Een virus is een zeer klein organisme (nog kleiner dan cellen), dat een gastheercel nodig heeft om zich te kunnen vermenigvuldigen.
Het virus dringt de cel binnen en begint zich te vermenigvuldigen.
De gastheercel wordt zo besmet door het virus.
Besmetting met een virus van een gastheercel
De cel wordt ziek en vanuit deze zieke cellen worden nieuwe virussen gemaakt die zich verder in het lichaam gaan verspreiden.
Signalen van een infectie aan het afweersysteem
Ons lichaam ziet virussen als lichaamsvreemd.
Zodra het virus zich in het lichaam bevindt en/of er een besmetting met het virus aanwezig is, onstaan er signalen in het lichaam die worden opgevangen door ons afweersysteem.
Een kettingreactie van afweercellen (antilichamen) worden door ons lichaam aangemaakt.
Deze afweercellen ruimen de besmette cellen op en neutraliseren de rondzwervende en nieuwe virussen. In veel gevallen ontstaat ook een weerstand tegen nieuwe besmetting zodat een volgende besmetting met eenzelfde virus niet meer mogelijk is.