Een zeer veel voorkomend virus, het humaan papillomavirus (HPV), ligt onontbeerlijk aan de oorsprong van baarmoederhalskanker. Er bestaan ongeveer 100 HPV-soorten. De meeste ervan houden slechts een verwaarloosbaar risico in om baarmoederhalskanker te veroorzaken. De zogenaamde hoogrisicosoorten kunnen echter aanleiding geven tot de ontwikkeling van abnormale cellen die in baarmoederhalskanker kunnen uitmonden. De meeste gevallen van baarmoederhalskanker zijn te wijten aan twee soorten, het HPV-16 en het HPV-18. Deze twee soorten worden aangetoond bij zowat 70% van alle gevallen van baarmoederhalskanker.
Bovenstaand schema bevat de verschillende bestaande HPV-soorten en het verband tussen de verschillende soorten.
Dit virus komt zeer verspreid voor en wordt zeer makkelijk overgedragen. De overdracht gebeurt tijdens seksuele betrekkingen of, in sommige gevallen, zelfs door intiem huidcontact in het genitale gebied. Elke seksueel actieve vrouw kan dus besmet raken. Hoewel het infectierisico kan worden verminderd door condoomgebruik, volstaan condooms niet om een afdoende bescherming te bieden. Ook de huid in de onmiddellijke omgeving van de geslachtsorganen kan immers het virus herbergen.
Tot 80% van alle seksueel actieve vrouwen zullen in de loop van hun leven ooit besmet worden met minstens één HPV-soort. Gelukkig is ons afweersysteem in staat om de meeste HPV-infecties te overwinnen zonder dat we ons er zelfs maar bewust van zijn dat we besmet waren. Niettemin kunnen sommige hoogrisicosoorten van het virus in de baarmoederhals achterblijven en na verloop van tijd aanleiding geven tot de ontwikkeling van baarmoederhalskanker.
Soms blijkt uit het resultaat van een vaginaal uitstrijkje dat sommige baarmoederhalscellen een abnormaal voorkomen hebben. Geen paniek! Dit betekent louter dat de cellen een gewijzigde vorm, grootte of structuur hebben en wijst er zeker niet automatisch op dat het kankercellen zijn.
Er zijn tal van oorzaken van een ontsteking van de baarmoederhals, die aanleiding kunnen geven tot een abnormaal vaginaal uitstrijkje, zoals:
-
recente seksuele betrekkingen
-
een vaginale spoeling
-
een schimmel- of andere infectie, waaronder een seksueel overdraagbare aandoening, bij voorbeeld herpes genitalis
-
een zwangerschap, een miskraam of een abortus
-
bepaalde geneesmiddelen
-
hormonale wijzigingen
-
HPV-soorten die genitale wratten veroorzaken
Mogelijk wordt er je gemeld dat er abnormale cellen of celveranderingen zijn vastgesteld: dit is wat men een ‘abnormaal resultaat’ noemt. Dit betekent dat het laboratorium bepaalde celveranderingen heeft geïdentificeerd en dat diepgaander onderzoek vereist is. Niet alle celveranderingen betekenen dat je onmiddellijk een behandeling moet volgen; sommige kunnen spontaan verdwijnen zonder behandeling. Naargelang de mate van de vastgestelde veranderingen, zal er je aangeraden worden een nieuw uitstrijkje te laten nemen of, in sommige gevallen, een specialist te raadplegen om een colposcopie te laten uitvoeren.
Een klein aantal vrouwen dient een tweede vaginaal uitstrijkje te laten doen omdat het eerste als inadequaat is beoordeeld. Dit betekent dat het laboratorium niet in staat was om de cellen op het objectglas te onderzoeken en een resultaat te verschaffen. Dit kan te wijten zijn aan de aanwezigheid van bloed dat de cellen onzichtbaar maakt of omdat het celuitstrijkje te dik of te dun was.
Er kan je ook gemeld worden dat het resultaat van je uitstrijkje een ‘grensgeval’ is. Dit betekent dat er celveranderingen zijn vastgesteld maar dat ze dermate dicht bij de normale waarden aanleunen dat er veel kans is dat ze spontaan weer normaal worden.
Indien het resultaat van je vaginaal uitstrijkje abnormaal is, zal je arts je een aantal maatregelen aanbevelen om meer te weten te komen over deze abnormale cellen.
Dit zijn abnormale cellen met inwendige afwijkingen. Ze worden precancereus genoemd omdat ze eventueel kunnen ontaarden in kankercellen. Maar het is ook mogelijk dat ze terugkeren naar een vorig stadium en alsnog weer normaal worden.
Precancereuze baarmoederhalscellen betekenen niet automatisch dat je kanker hebt: het betekent enkel dat je baarmoederhalscellen wijzigingen vertonen die, indien ze niet vroegtijdig worden behandeld, mogelijk in kanker kunnen ontaarden.
Gegroepeerde precancereuze cellen worden doorgaans letsels genoemd en deze letsels worden bestempeld als licht tot ernstig naargelang het ontwikkelingsstadium ervan.
Je arts benoemt deze letsels als CIN, een Engelstalige afkorting die
Cervical
Intraepithelial
Neoplasia of cervicale intra-epitheliale neoplasie betekent en ingedeeld wordt van licht (CIN1) tot ernstig (CIN3).
Samenvatting van de CIN-schaal:
|
Graad |
Betekenis |
|
CIN1 |
Licht abnormale baarmoederhalscellen |
|
CIN2 |
Matig abnormale baarmoederhalscellen |
|
CIN3 |
Sterk abnormale baarmoederhalscellen |
CIN1: Meer dan de helft van de vrouwen met dit resultaat behoeft geen behandeling aangezien de abnormale cellen waarschijnlijk spontaan gaan verdwijnen.
CIN2: Er is meer kans dat abnormale cellen ingedeeld als CIN2 gaan ontaarden. Bijgevolg zullen vrouwen met dit resultaat doorgaans aangeraden worden terug te komen voor een behandeling om het abnormale gebied te verwijderen en zodoende de kans op het ontwikkelen van baarmoederhalskanker te verminderen.
CIN3: Er is veel kans dat abnormale cellen ingedeeld als CIN3 gaan ontaarden. Bijgevolg zullen alle vrouwen met dit resultaat aangeraden worden terug te komen voor een behandeling om het abnormale gebied te verwijderen en zodoende de kans op het ontwikkelen van baarmoederhalskanker te verminderen.
Naargelang het soort kanker, gebruiken artsen verschillende termen om deze ziekte te beschrijven.
Invasief plaveiselcelcarcinoom van de baarmoederhals is wereldwijd de vaakst voorkomende baarmoederhalskanker en de meest verspreide kwaadaardige tumor van de vrouwelijke geslachtsorganen. Deze kanker begint waarschijnlijk onder de vorm van een CIN die in een tijdsspanne van meerdere jaren gaandeweg verergert om te ontaarden in een in-situcarcinoom (wat betekent dat de kankercellen niet doorgedrongen zijn tot het dieper gelegen weefsel van de baarmoederhals) en naderhand in een invasief carcinoom (stadium waarin de kanker doorgedrongen is tot het dieper gelegen weefsel van de baarmoederhals). Deze ziekte komt het vaakst voor bij oudere vrouwen, maar wordt alsmaar vaker bij jongere vrouwen vastgesteld.
Adenocarcinoom is een andere kankersoort van de baarmoederhals die hoofdzakelijk verband houdt met het HPV-18. Deze kanker is moeilijker op te sporen wegens de ligging ervan. Deze baarmoederhalskankersoort komt minder vaak voor maar is agressiever omdat deze kanker de neiging heeft vroegtijdiger uit te zaaien en de globale overlevingskans is geringer dan bij plaveiselcelcarcinoom. Wat de leeftijdsgroep betreft, is er geen significant verschil ten opzichte van plaveiselcelcarcinoom en ook de risicofactoren zijn gelijkaardig.
Bij de meeste vrouwen volstaan een regelmatige afspraak bij de arts voor een vaginaal uitstrijkje en een eventuele daaropvolgende behandeling in geval van afwijkingen om een goede bescherming tegen baarmoederhalskanker te verzekeren.